Dintelse Gorzen

Coördinatie: Ronald Buijnsters
E-mail: dintelsegorzen@westbrabantsevwg.nl

 

 

Deelnemers
Momenteel hebben we negen leden in deze telgroep. We zoeken nog twee leden op oproepbasis.
Het is zowel voor beginnende als ervaren leden mogelijk om mee te gaan, in overleg met Ronald Buynsters.
 
Doel
Ten behoeve van SOVON worden de watervogels geteld; voor Natuurmonumenten worden alle vogels geteld.
 
Telgebied
 
Klik hier voor een overzichtskaart.

De telling is een onderdeel van een simultaantelling van het Krammer-Volkerakmeer. Elke maand wordt op de zaterdag die het dichtst bij de 15e van de maand ligt door diverse groepen het totale Krammer-Volkerak geteld.
Wij verzorgen al vele jaren de telling van de Dintelse Gorzen, een prachtig natuurgebied.
Kunt u een stevige wandeling van ongeveer vier uur en de overweldigende stilte aan, dan kunt u zich altijd aansluiten bij de telgroep.
 
Ronald: "in de 25 jaar dat ik hier tel ca. 200 soorten vogels. En dit jaar is daar ondertussen de Dwerggans bij gekomen".

 

 

Historische schets
Elke zaterdag van de maand die het dichtst bij de 15e valt is het zover. De mannen van de Dintelse Gorzen telgroep verzamelen zich op het tochtigste stukje dijk dat in West-Brabant te vinden is om alle vogels in de Dintelse Gorzen te tellen. Heel de Dintelse Gorzen? Ja, heel de Dintelse Gorzen.
In tegenstelling tot bij Asterix is er hier geen enclave die zich verzet, alhoewel de steeds dichtere berkenopslag een dappere poging doet. Het voorgaande heeft wel enige uitleg nodig. Ik sprak van de ‘mannen’ van de ploeg en inderdaad, de laatste jaren zijn we alleen met mannen op pad geweest. Tevens sprak ik over ‘telgroep’ en niet over ‘werkgroep’. Dat is zorgvuldig gekozen woordgebruik om te voorkomen dat onze zeer gewaardeerde coördinator, Ronald B. te B. met allergische reacties te kampen krijgt: het is geen werk, we doen het voor ons plezier! Voor zover ik kan nagaan worden de Gorzen integraal geteld vanaf de tijd van de afsluiting van het Krammer-Volkerak in 1988 of daaromtrent.

Er is hier en ook  in het Hupke al vaker gewag van gemaakt dat het gebied sterk is veranderd, van een voormalig getijdengebied met kale zandplaten en schorren met lage vegetatie, tot een gebied met gras, wilgen en , inderdaad, berken. Zelf ben ik sinds 1991 betrokken bij de groep en heb het goed kunnen volgen, hoewel je door de geleidelijkheid niet altijd door hebt hoe groot die veranderingen geweest zijn.

Zo is het ook met de vogelbevolking van dit gebied. Ook die is erg veranderd, maar het is niet eenvoudig om dat duidelijk in kaart te brengen. Je kunt wel van alle afzonderlijke soorten aantallen per jaar uitzetten, maar dan krijg je enorme tabellen of heel veel grafieken. Ik zit al jaren te broeden over een methode om de totale ontwikkeling samen te vatten en daar zaag ik nogal eens over door tegen mijn medetellers (tussen de flauwe grappen door).

Ik zal in dit stukje de belangrijkste ontwikkelingen van 1988-2009 beschrijven en proberen daarbij eens een ander licht op alle gegevens te werpen. Hier en daar zal die beschrijving misschien wat abstract zijn, maar ik hoop toch dat het informatief is.
Eerst maar wat kerngetallen: van 1988 t/m 2009 heeft de Dintelse Gorzengroep 250 maanden vogels geteld. Als we er vanuit gaan dat dat met gemiddeld 4 mensen gebeurde gedurende gemiddeld 4 uur per telling dan kom je uit op 4000 mensuren. Dat zouden 500 werkdagen zijn als we van werk mochten spreken. En ondanks het feit dat er ook heel wat flauwekul wordt opgehangen hebben we dus bij elkaar 500 dagen intensief gespeurd. Het gevolg is dat onze gegevens zowel wat volledigheid als intensiteit erg goed zijn. Natuurlijk is de kwaliteit van de tellingen wel beïnvloed door weersomstandigheden, Carnaval en feestjes op vrijdagavond, maar daar staat tegenover dat de samenstelling van de groep niet sterk veranderd is, wat de consistentie van de tellingen goed heeft gedaan (ouderdomsverschijnselen uitgesloten).
In die 250 maanden hebben we in totaal bijna een miljoen vogels geregistreerd (993.696) die tot 209 soorten behoorden. De vogels met de grootste aantallen waren de Wilde eend (218.376), Smient (96.648) en Grauwe Gans (83.996), aantallen die allemaal sterk wisselden per maand en verschillende trends lieten zien (Fig. 1) Zo was er een afname van Wilde Eend, een toename van Grauwe Gans en een aanvankelijke toename tot aan eind jaren 1990 van Smient met daarna een sterke afname.

 

 


Fig. 1. Maandtotalen op de Dintelse Gorzen (1988-2009) van Wilde eend, Smient en Grauwe gans
 
Nu is het al een aantal jaren zo dat de leden van de telgroep het idee krijgen dat de Gorzen saaier worden, dat we minder ‘krenten in de pap’ vinden. M.a.w., we zien veel vogels, maar veel van hetzelfde. Om na te gaan of dit echt zo is, of alleen maar een idee van een stel verwende vogelaars die alles al gezien hebben heb ik een diversiteitsanalyse gemaakt. Diversiteit is iets anders dan simpelweg het aantal soorten, het heeft ook te maken met de verdeling van de soorten over de aantallen. Stel je hebt 100 vogels die tot 10 soorten behoren. Als die 100 vogels uit 91 Wilde Eenden bestaan en de andere 9 soorten slechts met een exemplaar zijn vertegenwoordigd, dan beleven we de diversiteit als lager dan als er van elke soort 10 exemplaren rondvliegen of –zwemmen. Ik heb voor de diversiteit een maat genomen die als de Shannon-Wiener index wordt aangeduid (voor diegenen die het na willen zoeken). Vervolgens heb ik voor elk jaar de totale aantallen, het totaal aantal soorten en de diversiteit berekend (Fig.2) en dan zie je dat vanaf het begin van de eeuw de aantallen geleidelijk afnemen, de soortenaantallen fluctueren, maar ongeveer constant zijn, maar de diversiteit inderdaad vanaf 2002 gestaag afneemt.

 



Fig. 2. Ontwikkelingen van de totale aantallen vogels, het aantal soorten en de diversiteit (Shannon-Wiener index) op jaarbasis in de Dintelse Gorzen (1988-2009). De getallen geven een index weer, geen echte waarden. De 0-lijn geeft de gemiddelde waarde weer.
 
Nog een andere manier om naar de vogels van de Dintelse Gorzen te kijken is naar zeldzaamheid. Daar zitten twee aspecten aan. Een vogel is zeldzaam als we er kleine aantallen van zien, maar ook als we hem maar zelden zien, zelfs als ze dan met vele zijn. Ik heb geprobeerd ook dat samen te vatten in een grafiek (Fig. 3).

 


Fig. 3. De relatie tussen de totale aantallen vogels en de frequentie van voorkomen (aantal maanden) in de Dintelse Gorzen 1988-2009. Let op de logaritmische schaalverdeling.
 


In deze grafiek zie je de aantallen per soort (let op de schaal neemt steeds met een factor 10 toe!) uitgezet tegen het aantal maanden van voorkomen. Zoals verwacht zie je dat de meeste soorten die je zelden ziet (onderste helft van de grafiek) ook niet in grote aantallen voorkomen (linkerkant van de grafiek). De rechte lijn geeft die gemiddelde trend goed aan. Er zijn echter vogels die op basis van hun lage aantallen echter vaker voorkomen dan je denkt (links van de lijn). Dat zijn vogels die zeldzaam, maar behoorlijk voorspelbaar zijn in hun voorkomen, zoals de Slechtvalk, waarvan we er in de wintermaanden gemiddeld een per maand zien, maar dan wel bijna elke maand. Ook de Zwarte Kraai komt minder voor in aantallen dan je op basis van de regelmaat van voorkomen zou verwachten. Anderzijds zijn er soorten die je bijna nooit ziet, maar als ze er zijn, meteen in flinke groepen, zoals de Strandleeuwerik en de Frater (rechts van de lijn). In dezelfde categorie vind je de zeer talrijke soorten zoals Wilde Eend en Smient, daar zijn er zoveel van dat je bijna maanden tekort komt!
Tot hier mijn beschouwing over de ontwikkelingen van de vogelstand op de Dintelse Gorzen. Ik ben vast van plan deze nog eens uit te breiden, maar dat zeg ik elke maand dat ik over de Gorzen loop.
 
Leo Nagelkerke, maart 2012

^ Naar boven